De winter heeft zich alweer even teruggetrokken en zo nu en dan laat de lente zich gelden. Een paar uurtjes zon, een weekend met temperaturen rond of net boven de twintig graden. Het begint er af en toe alweer echt op te lijken.
Het lijkt ook wel of er, sinds Martin Bril niet meer onder ons is, steeds vaker gepraat en geschreven wordt over rokjesdag. Wanneer zal het dit jaar zijn? Wat denk je, gaat het komende week gebeuren? Martin zit vast en zeker ergens glimlachend achterover geleund zijn erfenis in zich op te nemen. Aan het eind van de dag neemt hij plaats achter zijn bureau en schrijft een column voor het Hemelsch Dagblad. Op zijn dooie gemak, er is toch tijd zat.
Nu kan ik het mis hebben maar ik heb hem nog niet meegemaakt dit jaar, rokjesdag bedoel ik dan. Hoewel het afgelopen zaterdag heerlijk weer was, werd ik niet warm of koud van wat ik in het centrum om me heen zag. Geen rokje die onder invloed van een flinke zucht wind even een paar centimeter omhoog golfde en een flard van opwinding uit het winkelend publiek liet opstijgen. Geen universeel weten bij het vrouwelijke deel van de bevolking dat dit dé dag was. Niet een algemene alertheid bij de mannen.
Maar ineens schoot het mij te binnen. Ik woon in het verkeerde deel van ons land. In onze vaderlandse Bible Belt kennen we geen rokjesdag. In deze contreien draagt sowieso een deel van de bevolking dagelijks een rok. Het liefst één die minimaal tegen windkracht zes bestand is. Dit zorgt voor zo weinig mogelijk opwaaiende stukken stof waardoor hooguit minieme stukjes van een bloot been onthuld worden. Het vrouwelijk deel van de bevolking dat zich normaal gesproken niet in rok hult zal zich zelfs op ‘rokjesdag’ waarschijnlijk niet laten verleiden door hun innerlijke drang.
Daarom overvalt me ieder voorjaar dat melancholische gevoel. Het is mijn onderbewuste weten dat ik die ene dag van het jaar hier moet missen. De dag waarop het leven elders in ons land ineens veel zonniger lijkt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten