Uitspraken, beelden, gebeurtenissen trekken dagelijks aan ons voorbij. Soms kan ik ze niet langs me heen laten gaan zonder er iets mee te doen.

donderdag 25 augustus 2011

Zo tweeduizendtien!

Dagblad 'de Pers', woensdag 31 augustus 2011

‘Ze lachen me straks allemaal uit.’
Wie schoolgaande kinderen heeft, kent deze zin waarschijnlijk wel. Het accent ligt hierbij steevast op het woordje: ALLEMAAL. En zeg nou eerlijk, welke ouder voelt geen emotie bij de gedachte dat je kind uitgelachen of, erger nog, gepest wordt?
Dus leggen we die vrijwel gloednieuwe Eastpack rugzak in de kast en kopen een nieuwe in een maatje kleiner. Om te voorkomen dat hij te kijk wordt gezet vanwege die buitenproportionele verhuistas op zijn rug.
De voor de laatste verjaardag aangeschafte, ongelooflijk vette mobiele telefoon met Internet, camera, radio en toetsenbord is ineens hopeloos verouderd. IEDEREEN heeft namelijk al een Smartphone of Blackberrie. Hij wilt toch zeker niet gezien worden met een toestel uit het stenen tijdperk?
Die heerlijk zittende spijkerbroek of dat geweldige overhemd, meegenomen vanuit onze zonnige vakantiebestemming blijkt ineens aangeschaft in een bui van totale verstandsverbijstering. De reden is dat er geen merkje op geborduurd is die hoort bij wat algemeen geaccepteerd is. En dus hoort hij er niet meer bij.
Toegegeven, zijn huidige fiets is een fijne en zeer degelijke fiets maar ALLE KLASGENOTEN rijden op een omafiets. De meiden hebben een rieten fietsmand voorop. De jongens, ZONDER UITZONDERING, een omgebouwd krat bier waar dat kleinere formaat rugzak precies inpast.
Als ik beweer dat hij gewaardeerd wordt om wie hij is levert dat niet veel meer dan meewarig hoofdschudden op. Even rustig op de bank plaatsnemen voor een goed ouder-kind gesprek eindigt al snel met de conclusie dat ik er niets van snap.
Ik doe nog even een poging om uit te zoeken wie die: ALLEMAAL, IEDEREEN, ALLE KLASGENOTEN precies zijn. Op de een of andere manier krijg ik ook dat niet helder.
De twijfel slaat toe. Ga ik hierin mee in een poging mijn kind te vriend en gelukkig te houden of blijf ik er tegen vechten?
Maar goed, genoeg geklaagd. Ik moet sowieso rennen om op tijd bij de dealer te zijn. Mijn auto is namelijk zo tweeduizendtien … tenminste, dat beweren al mijn collega’s.

donderdag 18 augustus 2011

Pizza in Piazza,

In Montelparo, ons vakantiedorp, staat het weekend in het teken van Pizza in Piazza. Het halve dorp verzamelt zich op het ‘Piazza Cavour’, hét dorpsplein. Houten tafels en banken staan in lange rijen om ruimte te bieden aan zoveel mogelijk pizzaverorberende mensen. Tussen twee bomen hangt een slinger feestverlichting die er waarschijnlijk vanaf kerst al hangt en minimaal tot december blijft hangen. Om de feestvreugde te verhogen mag de dorpsjeugd hun muzikale talenten ten gehore brengen en meespelen met een cd van hun helden. Zo nu en dan wordt het muzikale genie van ACDC of Led Zeppelin begraven onder een tenenkrommende valse noot.
De dame achter de tafel waar de bestellingen geplaatst worden, is de enige die begrijpt hoe de organisatie van dit evenement is geregeld. Het betalen van een Quattro Stagioni, Margherita en Vino Bianco is dan ook in no-time geregeld. Ze wijst, ‘over there you order pizza. If ready you order drink.’ Beter Engels heb ik nog niet gehoord in de afgelopen dagen. Ik ben eigenwijs en bestel direct de drankjes.
Achter de tafel waar de dampende pizza’s worden neergezet werkt één Italiaanse van hooguit zestien jaar. Van alle kanten zwaaien mensen met hun briefjes met bestellingen. Ze rent heen en weer, probeert bier te tappen uit een kraan waar het vocht langzaam uit druppelt en naarmate de avond vordert beslaan haar brillenglazen. Ik vraag een Nederlandse dame naast me hoe lang ze inmiddels staat te wachten.
‘Een uur,’ zegt ze. Daarom het advies de drankjes nog niet te bestellen.
Er zit niets anders op dan rustig afwachten.
‘Zo, die is dik,’ roept mijn dochter luidkeels.
De vrouw van de pizzabakker ziet er inderdaad uit of ze de helft van wat ze bakt, zelf opeet. Of zou het daarom zo lang duren?
Een uurtje later zijn onze pizza’s klaar, de fles wijn leeg en de zoon van de plaatselijke herbergier is de eerste muzikant die gemeend applaus krijgt voor de scheurende klanken die hij uit zijn gitaar tovert.
Deze avond Italiaanse cultuur snuiven had ik voor geen geld willen missen.

Ciao Italia,

Dicht op elkaar zitten zes oudere, Italiaanse mannen in de paar vierkante meter schaduw naast het dorspcafé. Minder dan een meter verderop teistert de zon de keien. Twee hagedissen kronkelen tegen de stadsmuur. De ogen van de mannen schitteren bij het zien van zoveel blonde haren en blauwe ogen. Eén van hen stelt ons de vraag die van de gezichten van de anderen is af te lezen.
‘Holandesi?’
‘Si,’antwoord ik.
‘I live in Paris,’ zegt hij, alsof dat bij ons om de hoek ligt. We lopen langs hen het cafeetje binnen.
De corpulente, bijna tandenloze waard is opgewekt. Het lukt ons, hevig gebarend, om voor de kinderen ijsjes te bestellen. Met een platte ijsschep bouwt hij drie enorme scheve ijstorens van Pisa. Drie paar ogen beginnen te stralen.
Zelf willen we een thee en een koffie.
‘Dopio?, ‘ vraagt hij. Ik knik. Een dubbele espresso gaat er wel in. Hij tovert het heerlijk geurende vocht uit de machine. Als hij het kopje naar me toe schuift, zie ik dat het donkerbruine goedje maar net de bodem van het koffiekopje bedekt. Op de bar liggen noten- en kaaskoeken die ons met succes verleiden. We nemen onze bestelling mee naar buiten en voelen hoe zes paar Italiaanse ogen ons volgen. In de brandende zon smelten de gigantische ijsjes van de kinderen snel weg, haast is geboden. De koffie, thee en koeken smaken zoals het alleen tijdens de vakantie kan smaken. We genieten van het uitzicht over een deel van de ‘Marche’ met in de verte de Monti Sibilini, het gebergte dat op een half uur rijden vanaf ‘ons dorpje’ Motelparo ligt. Als goed opgevoede Holandesi brengen we onze lege kopjes terug naar binnen.
De waard lacht als we opnieuw zijn domein binnenlopen. Tien euro negentig is de schade, waar in Nederland betaal je dat voor een vergelijkbare bestelling?
‘Arrivederci,’ zegt de man.
‘Arrivederci,’ antwoorden we en lopen naar buiten.
‘Bonjour,’ de Franse Italiaan straalt.
‘Arrivederci,’ zeggen wij. De weinige Italiaanse woorden die wij in afgelopen dagen hebben opgepikt laten we ons door hem niet afnemen.

woensdag 3 augustus 2011

Putjeschepper

Gepubliceerd op donderdag 4 augustus in 'de Pers'

Ons ‘karretje’, aanhangwagen is een te groot woord, staat veilig gestald bij een boertje in de binnenlanden van de Veluwe. De boer en zijn vrouw zijn de tachtig al een tijd geleden gepasseerd. Op hun boerderijtje, omringt door een enorm stuk land, houden ze nog een stuk of wat koeien. Ze hebben nog een hoeveelheid energie die ik bij mijzelf soms moet zoeken. Kortom, ze redden zichzelf nog uitstekend, hebben overal een mening over en zijn precies op de hoogte van wat er zich in de wereld om hen heen afspeelt. Als je er eenmaal bent, moet je van hele goede huizen komen wil het je lukken om binnen een half uur weer te vertrekken.
Zo in de voorbereiding op de vakantieperiode moest het karretje een inspectiebeurt hebben: banden testen, verlichting checken, even alle puntjes op de i.
Het wagentje is al vierde, misschien wel vijfdehands, onze auto bijna nieuw. Gevolg was dat de nieuwe kentekenplaat niet paste. Nu zaten er wel schroefjes en boutjes aan de achterzijde van ons karretje maar de corresponderende gaten in de nieuwe kentekenplaat ontbraken nog.
‘Gèèèèn probleem,’ riep de man op zijn Veluws. Hij liep naar de werkbank waar zijn gereedschap tot gevaarlijke hoogtes lag opgestapeld. Ergens onder uit de metaalhoop toverde hij een grote hamer en een roestige spijker tevoorschijn. Met een paar slagen stanste ik twee gaten in de metalen plaat en schroefde deze netjes op de achterkant van ons rijdende berghok.
‘Ik had timmerman moeten worden,’ zei ik.
De man keek me geamuseerd aan en liet zijn blik over mijn pak met bijpassende stropdas glijden.
‘Wat doe je veur de kost, dan?’ vroeg hij uiteindelijk
‘Iets met computers,’ antwoordde ik, omdat ik vermoedde dat het woord consultant niet in zijn woordenboek voorkwam.
‘Ah, zo.’
Hij was een tijdje stil en liet zijn blik over ‘zijn landgoed’ gaan.
‘’t Is eigenlijk net als putjeschepper,’ zei hij uiteindelijk. ‘In’t begin is het even wennen maar als je de slag eenmaal te pakken hebt is er geen kunst meer aan.’